P.A. Tiele

Dr. Pieter Anton Tiele (1834-1889)

'Uw Stichting draagt de naam van de voortreffelijke man, die in ons land als geen ander de stempel zijner persoonlijkheid zowel op het bibliographisch werk als op het bibliotheekwezen gedrukt heeft. De bewondering, die ik voor Tiele gevoel, zal mij steeds een prikkel zijn om mij tot het uiterste in te spannen'. Aldus prof. mr. H. de la Fontaine Verwey aan het slot van zijn inaugurele rede in 1954.
Dr. P.A. Tiele wordt beschouwd als een lichtend voorbeeld, iemand met een nauwelijks te evenaren werkkracht en een onverzettelijke wilskracht die ondanks zijn zwakke gestel (hij leed aan astma) in zijn leven veel tot stand heeft gebracht.


Onderstaande korte beschrijving van de levensloop van Tiele is voornamelijk gebaseerd op het Levensbericht van dr. P.A. Tiele dat Martinus Nijhoff, de Haagse uitgever en kenner van het oude boek, in 1889 schreef voor de Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. In dat artikel is ook meer informatie over Tiele te vinden.

Jeugd en leertijd
Anton Pieter Tiele werd op 18 januari 1834 in Leiden geboren, als zoon van Cornelis Tiele die deelgenoot was in de boekhandelaarsfirma van David du Mortier & Zoon te Leiden. Hij verloor zijn ouders op betrekkelijk jonge leeftijd en werd als dertienjarige in 1847 opgenomen in het gezin van zijn oom, de boekhandelaar-uitgever P.N. van Kampen te Amsterdam. Hier bezocht hij het gymnasium. Al heel jong was hij vastbesloten zijn toekomst in het boekenvak te zoeken, waarbij hij een voorkeur voor het antiquariaat ontwikkelde. Dankzij zijn oom kwam hij voor zijn leertijd bij niemand minder dan de bekende antiquaar Frederik Muller in Amsterdam terecht. Vervolgens bracht hij enige tijd door bij diens collega in Arnhem, I.A. Nijhoff. Van 1847 tot 1853 liep hij naast zijn studie aan het gymnasium stage in deze twee boekhandels. Hij deed er veel ervaring op, maar kwam ook tot de overtuiging dat hij niet geschikt was voor de (boek)handel.

Athenaeum bibliotheek
Toen hij in 1853 dan ook de kans kreeg de betrekking van custos aan de bibliotheek van het Athenaeum Illustre in Amsterdam (thans Universiteitsbibliotheek Amsterdam) te verwerven, greep hij die met beide handen aan. Hier kon hij zich ontwikkelen tot bibliograaf en bibliothecaris. De laatste catalogus van de Athenaeum bibliotheek dateerde van 1796; 'specimen cacographicae bibliographicae', een voorbeeld van bibliografische wartaal, noteerde Tiele op een van de exemplaren. Aan Tiele de taak een geheel nieuwe catalogus samen te stellen, een opdracht waaraan hij met voortvarendheid begon zodat het eerste deel reeds in 1856 in druk kon verschijnen; het derde en vierde deel en het alfabetische register werden in 1858 gepubliceerd.

Pamflettenbibliografie
Intussen was hij naast zijn baan bij de bibliotheek in zijn vrije uren weer werkzaam bij Frederik Muller waar hij uiteenlopende andere werkzaamheden verrichtte. Onder meer vervaardigde hij de Bibliotheek van Nederlandschen pamfletten, verzameling Fred. Muller te Amsterdam naar tijdorde gerangschikt en beschreven waarvan de afleveringen van het eerste deel van 1856-1858 in het licht kwamen en deel 2 en 3 in 1860 en 1861 bij Muller verschenen. Deze bibliografie betekende een belangrijke stimulans voor de wetenschappelijke beoefening van de bibliografie in ons land die buiten het bibliografische werk op het terrein van de vroege drukken uit de vijftiende eeuw nauwelijks beoefend werd.

Vertrek naar Bohn
Tiele had grote plannen voor de Athenaeum bibliotheek en wilde haar als openbare boekerij met een nieuwe inrichting, een grote leeszaal en ruimere dienstverlening een waardige plaats geven te midden van de overige openbare bibliotheken in de hoofdstad. Helaas hadden de curatoren en de Gemeenteraad hier weinig oren naar en in 1858 besloot Tiele zijn ontslag in te dienen, hetgeen hem op 1 oktober 1858 eervol werd verleend.
Het viel echter niet mee om een andere baan te vinden. Muller was niet in staat hem een dienstverband met een adequaat salaris aan te bieden. Tiele zelf had rondgekeken bij verschillende bibliotheken waarbij vooral de Leidse universiteitsbibliotheek zijn voorkeur had, maar veel kans op een interessante functie had hij als niet-wetenschappelijk opgeleide niet in het wetenschappelijke bibliotheekwezen. Toen zijn neef, de Haarlemse boekhandelaar-uitgever Pieter François Bohn hem in 1861 aanbood als deelgenoot tot zijn firma toe te treden, besloot hij op dit voorstel in te gaan. Hoewel Bohn als uitgever van literatuur, reisbeschrijvingen en historische werken over een fonds beschikte dat Tiele met zijn letterkundige en bibliografische interesses kon aanspreken, voelde hij zich toch niet goed op zijn plaats. Na vier jaar beëindigde hij de samenwerking met Bohn; in de woorden van Bohn omdat hij 'geen behagen heeft in 't mercantiele van het vak'.

Bibliothecaris in Leiden
Op 1 februari 1866 werd Tiele benoemd tot conservator van de Leidse bibliotheek, de baan waarvan hij al jaren droomde. Toen hij in 1862 officieus bij de toenmalige bibliothecaris van de universiteitbibliotheek van Leiden, prof. dr. W.G. Pluygers, informeerde of er enige kans bestond dat hij deze als bibliothecaris zou kunnen opvolgen, schreef Pluygers hem: 'Een niet philoloog, ja een ongestudeerde aan het hoofd der Leidsche bibliotheek is even ondenkbaar voor het groote publiek, dat de zaken regelt, als een Rabbi als doopsgezinde leeraar te Haarlem'. Pluygers lichtte dit toe: 'Gij moet mij wel verstaan, dat ik u met uwe kennis voor de bibliotheek niet lager stel, dan mij of mijne mede-philologen, wij schieten evenzeer te kort in het geen gij bezit, als gij in onze kennis. Ik ga verder. Indien er slechts één persoon over de bibliotheek moest gesteld worden, en ik de benoeming had, ik benoemde een bibliograaf van uwen stempel en geen philoloog, want de bibliotheek zou nuttiger werken onder uwe leiding, dan onder die van een ander. In 't kort er is voor u niet de minste kans om als hoofd der geheele bibliotheek benoemd te worden. Ge moet u eene oplossing in combinatie van bestuur laten welgevallen, of de geheele zaak opgeven'. Tiele gaf te kennen dat hij wel voelde voor de 'combinatie' en vervolgens construeerde Pluygers zijn plan voor de reorganisatie van het personeel. Zo kon Tiele in 1866 in dienst treden als conservator van de boekwerken. Dr. W.N. du Rieu werd benoemd tot conservator van de handschriften, terwijl Pluygers bibliothecaris bleef.

'Leidse boekjes'
Ook hier was zijn eerste taak het vervaardigen van nieuwe catalogi. Voortbouwend op het werk van Pluygers ontwikkelde hij regels voor de titelbeschrijving die later zijn naam kregen en in 1912 aanvaard werden als basis voor een centrale catalogus van het bezit van de Koninklijke Bibliotheek en de universiteitsbibliotheken. Tiele heeft bekendheid gekregen als 'uitvinder' van de 'Leidse boekjes', hoewel noch hij de uitvinder van de boekjes was, noch de boekjes Leids waren. In Utrecht werden al in 1860 titels op losse bladen geschreven, die werden geperforeerd en met garen bij elkaar gebonden; op eenvoudige wijze konden zo nieuwe titelbeschrijvingen worden tussengevoegd. Catalogustitels werden op dat moment nog met de hand gekopieerd, maar Tiele stelde vast dat het werkloon van een zetter lager was dan van een afschrijver. Hij liet daarom vellen bedrukken met meerdere titels in enkele exemplaren. Vervolgens werden de titels uitgeknipt en op stevig papier van briefkaartformaat geplakt. De kaarten werden in alfabetische volgorde gebundeld en met ongeveer 150 tegelijk in omslagen ingebonden. De bandjes konden gemakkelijk losgehaald worden en de aanwinsten tussengevoegd. Deze catalogusboekjes werden in een open opstelling geplaatst ten gebruike van het publiek. Met het drukken van titels op losse vellen begon men in 1868, operationeel waren de Leidse boekjes in 1870. Het model zoals dat in Leiden in gebruik was, werd in binnen- en buitenland overgenomen, ook in Utrecht, onder de - dus niet geheel terechte naam - 'Leidse boekjes'.

Bibliothecaris in Utrecht
Eind 1878 kwam de uitnodiging van de Curatoren van de Utrechtse hogeschool om de plaats in te nemen van de in het voorjaar van 1878 overleden bibliothecaris dr. P.J. Vermeulen. Op 1 mei 1879 van het jaar daarop trad Tiele officieel in dienst. Hoewel Vermeulen had gezorgd voor een vrij volledige, gedrukte alfabetische catalogus, was deze door het gebruik van verschillende alfabetten moeilijk te hanteren. Het eerste wat Tiele ondernam was alles onderbrengen in een alfabet. De catalogus werd geheel ingericht als die te Leiden. Wat de systematische catalogus betreft kon het systeem dat hij in Leiden had ontwikkeld hier maar ten dele gebruikt worden omdat de inhoud van de Utrechtse bibliotheek nogal afweek van die in Leiden. Met name op het gebied van de natuurwetenschappen was het Utrechtse bezit rijker. In Utrecht heeft hij ook de vervaardiging van de catalogus van de handschriften op zich genomen, waarbij hij zich verzekerde van de hulp van deskundigen. Evenals in Leiden had hij ook hier de gehele gang van zaken in de bibliotheek in zijn greep. Hij voerde allerlei bibliotheektechnische voorzieningen door en wist het wetenschappelijk bibliotheekwezen in Utrecht op moderne leest te schoeien.

Reisbeschrijvingen
Naast zijn werk als bibliothecaris, publiceerde hij ook wetenschappelijk werk. Daartoe behoort de catalogus uit 1866 van de collectie oorspronkelijke Nederlandse reisbeschrijvingen van Frederik Muller uit 1866, waarmee hij zich in binnen- en buitenland een naam verwierf als bibliograaf. Bij het maken van die bibliografie ontstond het plan om te komen tot een volledige bibliografie van Nederlandse reisbeschrijvingen. In 1874 publiceerde hij De ontdekkingsreizen sedert de vijftiende eeuw; een vrije bewerking van Vivien de Saint-Martins boek Histoire de la Géographie. Saint-Martins geschiedenis kwam uit terwijl Tiele bezig was met een historie van de Nederlanders buiten Europa. Later beperkte hij dit enorme onderwerp tot de geschiedenis van de Nederlanders in Oost- en West-Indië tot 1709, bij wijze van inleiding voorafgegaan door een geschiedenis van de Portugezen in Indië en de Maleisische archipel. In 1876 verscheen van zijn hand een kritische studie van de 29 uitgaven van het Kaartboek van Abraham Ortelius. In dit rijtje moet ook nog genoemd worden de Nederlandsche Bibliographie van Land- en Volkenkunde, die in 1886 het licht zag.

Handschriften en oude drukken
In het begin van zijn Leidse tijd beschreef hij op verzoek van de verkopers, de incunabelen en handschriften van de bibliotheek Enschedé. De pamfletten in de Bibliotheca Thysiana volgden in 1868, en samen met H.C. Rogge verzorgde hij de catalogus van de handschriftenverzameling van de Remonstrantsch-Gereformeerde Gemeente te Rotterdam. In 1879 had Tiele ook de catalogus van de Bibliotheca Thysiana voltooid. In 1865 trok een handschrift van de mystieke sectaris Henric Niclaes dat zich in de bibliotheek van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde bevond, zijn aandacht. Aanleiding om een onderzoek te doen naar de zeldzame geschriften van Niclaes en diens betrekkingen met de Antwerpse drukker Plantijn. 
Een onderwerp dat hem na aan het hart lag was de vervaardiging van een bibliografie van de zestiende-eeuwse Nederlandse drukken. Hij wijdde studies aan zestiende-eeuwse Leidse drukkers, aan de eerste Amsterdamse drukkers, Antwerpse en Emdense drukken, aan de Leidse drukker Jan Seversz en zijn ketterse uitgaven, en aan Nederlandse boeken in het buitenland gedrukt.

Begaafd, geleerd, bescheiden
Het zou niet moeilijk zijn nog enige bladzijden te vullen met 'Tieleana', maar wie meer wil weten, zij verwezen naar het boekje dr. Pieter Anton Tiele van U.J. Jinkes de Jong en A.P.W.M. Kosten (1981) dat ook een bibliografie van hem bevat. Buiten het grote werk aan de catalogi en zijn wetenschappelijke werk hield Tiele zich bezig met de vele in een bibliotheek voorkomende werkzaamheden. Voorlichting, selectie en aanschaf (zowel nieuw als antiquarisch), speurtochten naar moeilijk vindbare boeken, toezicht op de geregelde ontvangst van tijdschriften en vervolgwerken, op het uitlenen van boeken, op het binden: alles had en kreeg zijn aandacht. 
Hij was een voorkomend mens en zijn hulp aan professoren, studenten en anderen werd om strijd geroemd. Bij het 250-jarig jubileum van de Universiteit Utrecht in 1886 werd hem het doctoraat honoris causa in de Nederlandse letteren verleend. 
Dr. Pieter Anton Tiele overleed op 22 januari 1889. In zijn grafrede karakteriseerde de Rector Magnificus, prof. J. Cramer, hem met de woorden 'begaafd, geleerd, bescheiden'.

In: Hannie van Goinga, De geschiedenis van de Dr. P.A. Tiele-Stichting 1953-2003. Zutphen: Walburg Pers, 2003. p. 52-57